De weerstand tegen de rijkdom van de kerk en het zedelijk verval van de geestelijkheid bereikte in de zestiende eeuw een hoogtepunt. Bijvoorbeeld Maarten Luther drong aan op hervormingen binnen de kerk. De kerk weigerde. Een breuk tussen de voorstanders van vergaande hervormingen en de kerk was uiteindelijk onontkoombaar. Het protestantisme was geboren. De reformatie duidt de beweging aan die het nieuwe geloof wilde verbreiden. De kerk van Rome voerde met het Concilie van Trente (1545-1563) wel hervormingen door (de contrareformatie), maar deze konden de afvalligen niet meer binnen de oude kerk halen. De harde vervolging van ketters wakkerde het fanatisme van de reformatorische groepen alleen verder aan. In de Nederlanden werd de opstand tegen de Spaanse landsheer Filips II een zeer fanatieke vervolger van ketters verbonden aan het geloof. Met de overwinning van de opstandelingen werd de protestantse kerk de staatskerk. Doordat het protestantisme een geringere betekenis gaf aan de geestelijkheid als tussenschakel tussen God en gelovigen, was er geen plaats meer voor kloosters. De bezittingen van de oude, roomse kerk werden zeker ook vanwege de geldnood in de strijd tegen de Spaanse landsheer in 1572 door de Staten van Holland onteigend en verkocht of voor andere doeleinden gebruikt.









