Onder leiding van Alijd en Martijn Gijsbrechtszoon bloeide de zustergemeenschap. De zustergemeenschap werd al snel tot klooster verheven. Op 12 december 1402 gaf het Delftse stadsbestuur toestemming het huis te besluiten. Deze toestemming was nodig omdat de goederen van een klooster waren vrijgesteld van wereldlijke belastingen. Op 30 april 1403 gaf de Utrechtse bisschop vervolgens de opdracht tot insluiting en daarmee verhief hij het huis met kapel tot klooster. De insluiting hield in dat de zusters zich afzonderden van de wereld om hen heen. Zij bleven in principe binnen de muren van het klooster; bezoekers waren alleen toegestaan in delen van het klooster. Na een proeftijd van ongeveer een jaar werd het klooster op 17 maart 1404 definitief door de bisschop erkend. Het maximum aantal zusters werd vastgesteld op dertig.









