Met geld dat Jacob Jan had achtergelaten, had Jan Casus een huis gekocht achter den toirn. De zusters namen daar hun intrek. Martijn Gijsbrechtszoon, pastoor van de Oude Kerk, werd de geestelijk leidsman van de zusters. Vanaf het begin hadden de zusters in armoede geleefd, maar Martijn wist een rijke weduwe voor de zustergemeenschap te interesseren. Hoewel Alijd, weduwe van Willem Buser, aanvankelijk niet wilde toetreden tot de gemeenschap, stelde zij wel een huis beschikbaar. Samen met haar dochter Agatha (Aechten) bewoonde zij het achterhuis. Alijd bezocht de zusters wel dagelijks. Na een jaar besloot zij, mede op aandringen van Martijn Gijsbrechtszoon, toch om toe te treden.









