De Moderne Devotie
Het Agathaklooster is voortgekomen uit een religieuze stroming uit de tweede helft van de veertiende eeuw: de Moderne Devotie. De grondlegger van deze stroming was Geert Grote (1340-1384). Hij keerde zich tegen de losse moraal van de geestelijkheid die vaak niet meer het bedoelde sobere leven leidde. Bovendien wilde hij de prediking onder de bevolking stimuleren. Navolging van Christus werd het devies: een leven van vroomheid, armoede en opoffering. Grote reisde rond en inspireerde zijn volgelingen tot het oprichten van leefgemeenschappen die zich toelegden op de navolging van Christus, de zielzorg en de verkondiging van het geloof.
Jacob Jan
Geert Grote zou ook een bezoek hebben gebracht aan Delft. Jacob Jan, de vice-cureit (seculiere onderpastoor) van de Oude Kerk, liet zich door Grote inspireren. Rond 1380 verzamelde Jacob een groep vrouwen die hun leven gezamenlijk in armoede wilden wijden aan God. Samen met Jan Casus kocht hij een huis aan de Geerweg waarin de vrouwen gingen wonen, onder leiding van de Vlaamse Lodewijk Jansdochter. Het aantal vrouwen groeide snel, waarom een nieuw huis werd gekocht dat bekend werd als het Heilige Huis. Het viel Jacob Jan echter zwaar om iedere dag naar de zusters te komen. Daarom wilde hij een huis kopen dichter bij de Oude Kerk. Voor het zover was, vertrok hij in het heilige jaar 1390 (een zogenaamd jubeljaar) op bedevaart naar Rome. Jacob overleed op de terugreis en droeg de verantwoordelijkheid voor zijn zusters over aan zijn neef en reisgezel Martijn Gijsbrechtszoon.
Martijn Gijsbrechtszoon
Met geld dat Jacob Jan had achtergelaten, had Jan Casus een huis gekocht achter den toirn. De zusters namen daar hun intrek. Martijn Gijsbrechtszoon, pastoor van de Oude Kerk, werd de geestelijk leidsman van de zusters. Vanaf het begin hadden de zusters in armoede geleefd, maar Martijn wist een rijke weduwe voor de zustergemeenschap te interesseren. Hoewel Alijd, weduwe van Willem Buser, aanvankelijk niet wilde toetreden tot de gemeenschap, stelde zij wel een huis beschikbaar. Samen met haar dochter Agatha (Aechten) bewoonde zij het achterhuis. Alijd bezocht de zusters wel dagelijks. Na een jaar besloot zij, mede op aandringen van Martijn Gijsbrechtszoon, toch om toe te treden.
Alijd, Willem Busers weduwe
De toetreding van Alijd ademt de sfeer van de Moderne Devotie: zij verscheen voor de zusters slechts gekleed in een onderrok en hoofddoek, met voor haar borst een kruisbeeld. Zij viel op haar knieën en vroeg om samen met hen Christus te mogen navolgen: Ziehier de naakte Christus die met Zijn gezegende mond gesproken heeft: Die Mij volgen wil, moet zijn kruis opnemen en Mij navolgen. Zo is hier de naakte Alijd die met u leven en sterven wil en om Zijn wil met u wonen wil. De vreugde van de zusters om de toetreding van Alijd was groot, niet alleen om haar vroomheid, maar zeker ook vanwege haar financiële inbreng. Haar wereldlijke goederen vielen nu aan de zustergemeenschap toe.
De Derde Orde
Samen met de Utrechtse Wermboud van Boskoop haalde Martijn Gijsbrechtszoon de zusters over om de derde regel van Sint-Franciscus aan te nemen, professie te doen en een ministerse (zuster die leiding geeft aan de gemeenschap) te kiezen. Wermboud van Boskoop was een van de voormannen van de tertiarissenbeweging. Tertianen (mannen) en tertiarissen (vrouwen) leefden in een gemeenschap zonder de strenge regels en juridische organisatie van een echt klooster. De zusters werden op Sint Dominicusdag (5 augustus) van het jaar 1400 in Utrecht ingekleed waarbij zij professie deden. De professie is een in het openbaar afgelegde gelofte. Het instellen van de Derde Orde was de manier geweest van de kerk om de sterk groeiende leefgemeenschappen van vrouwen en mannen een plaats te geven in de kerkelijke structuur. De zusters vielen voortaan onder het Utrechtse kapittel. De Delftse zusters kozen Alijd als hun eerste ministerse. Inmiddels was achter de Oude Kerk, op de plaats van het huidige Prinsenhof, een huis gekocht. In 1401 kregen de zusters toestemming van hertog Aalbrecht om een kapel op te richten.
Van huis tot klooster
Onder leiding van Alijd en Martijn Gijsbrechtszoon bloeide de zustergemeenschap. De zustergemeenschap werd al snel tot klooster verheven. Op 12 december 1402 gaf het Delftse stadsbestuur toestemming het huis te besluiten. Deze toestemming was nodig omdat de goederen van een klooster waren vrijgesteld van wereldlijke belastingen. Op 30 april 1403 gaf de Utrechtse bisschop vervolgens de opdracht tot insluiting en daarmee verhief hij het huis met kapel tot klooster. De insluiting hield in dat de zusters zich afzonderden van de wereld om hen heen. Zij bleven in principe binnen de muren van het klooster; bezoekers waren alleen toegestaan in delen van het klooster. Na een proeftijd van ongeveer een jaar werd het klooster op 17 maart 1404 definitief door de bisschop erkend. Het maximum aantal zusters werd vastgesteld op dertig.
Sint Agatha
De Siciliaanse martelares Agatha werd gekozen tot beschermheilige van het klooster. Het is niet duidelijk waarom juist deze heilige werd gekozen, maar gesuggereerd is dat dit verband hield met het feit dat de dochter van Alijd, de eerste ministerse, Agatha heette. Agatha was samen met haar moeder toegetreden tot de zustergemeenschap. Zij zou haar moeder in 1409 opvolgen als ministerse. Sint-Agatha stierf in Catania in 251. Zij volhardde in haar geloof, ondanks wrede martelingen. Zo werden haar borsten afgeknepen met een gloeiende tang. Tang en borsten zijn daarom haar attributen, waarmee zij dan ook vaak wordt afgebeeld. Na deze pijniging werd zij in haar cel bezocht door Petrus die haar genas. Na nieuwe martelingen met gloeiende kolen bezweek zij. In de kloosterkapel waren behalve het hoogaltaar een altaar gewijd aan Sint Agatha, een aan de heilige Maria en een aan Sint Barbara.
Voorspoedige groei
Het Agathaklooster groeide voorspoedig in de vijftiende eeuw. Het welvarende klooster trok vrouwen aan uit vooraanstaande families. Hun toetreding deed de rijkdom van het klooster verder toenemen. In 1479 werd bovendien het toegestane aantal zusters verhoogd van 30 tot 125. Het werd een zeer voornaam klooster in Holland dat in zijn gastenverblijf vele belangrijke gasten ontving. De gasten werden vaak op kosten van de stad ondergebracht. Tegen soms fikse vergoedingen verkreeg het klooster belangrijke privileges van het Utrechtse kapittel en van de paus. Het belang ervan blijkt uit het losmaken van het klooster uit het Utrechtse bisdom. Vanaf 1468 viel het (weer tegen een fikse jaarlijkse vergoeding) direct onder de paus. Doordat in 1483 de verschuldigde vergoeding niet was betaald, werd deze exemptie herroepen. De toenemende rijkdom en groeiende materiële belangen stonden op gespannen voet met de navolging van Christus: het leven in armoede. De kritiek op de rijkdom van de kloosters (en op het intellectuele en morele verval van de geestelijkheid) groeide en deed de roep om hervormingen binnen de kerk toenemen.
Belastingen
De rijkdom van de kloosters wekte tevens de ergernis (en geldhonger) van de wereldlijke heersers. De geestelijke goederen waren immers vrijgesteld van belastingen, waarmee zij aanzienlijke inkomsten misliepen. De kloosterbezittingen, waaronder veel grond, werden bovendien onttrokken aan het reguliere economische leven. Meerdere heersers wilden deze financiële vrijheden inperken. Karel de Stoute, onder meer graaf van Holland, eiste in 1474 een vergoeding voor de amortisatie van deze bezittingen. Een van de aanvoerders van het verzet tegen deze maatregel in de Nederlanden was Thomas Utenkamp, rector van het Agathaklooster. Ook de ministerse stelde zich weerspannig op. Karel liet daarop beslag leggen op alle bezittingen. Uiteindelijk kon het klooster de belasting in 1476 afkopen. De opvolgers van Karel de Stoute, Maximiliaan van Habsburg en Maria van Bourgondië, stelden zich meer gematigd op, hoewel ook zij vergoedingen eisten voor het bezit van geestelijke goederen. Hun kleinzoon Karel V stelde zich in 1516 weer op het standpunt van Karel de Stoute en eiste een vergoeding voor nieuw verworven bezit. Deze keer ontbrak het verzet.
Bijverdiensten
Het was gebruikelijk dat zustergemeenschappen van de Derde Orde van Franciscus (mede) in hun onderhoud voorzagen door het weven van stoffen en het kopiëren van manuscripten. In Delft hielden de zusters van het Agathaklooster zich inderdaad bezig met de lakennijverheid. Vanuit de stedelijke lakennijverheid kwam regelmatig protest tegen de lakenproductie van de zusters, aangezien het klooster vrijgesteld was van belastingen. Bovendien had het geen loonkosten. Dit werd door de Delftse lakenwevers als oneerlijke concurrentie gezien. Toch heeft het stadsbestuur geen beperkende maatregelen genomen. Een goede relatie met het Agathaklooster was de stad wel wat waard. Of het zich ook bezighield met het kopiëren van manuscripten is niet bekend, maar gezien de aanwezigheid van een scriptorium (schrijfzaal) en librije (leeszaal) is dit zeker niet onmogelijk.
De reformatie
De weerstand tegen de rijkdom van de kerk en het zedelijk verval van de geestelijkheid bereikte in de zestiende eeuw een hoogtepunt. Bijvoorbeeld Maarten Luther drong aan op hervormingen binnen de kerk. De kerk weigerde. Een breuk tussen de voorstanders van vergaande hervormingen en de kerk was uiteindelijk onontkoombaar. Het protestantisme was geboren. De reformatie duidt de beweging aan die het nieuwe geloof wilde verbreiden. De kerk van Rome voerde met het Concilie van Trente (1545-1563) wel hervormingen door (de contrareformatie), maar deze konden de afvalligen niet meer binnen de oude kerk halen. De harde vervolging van ketters wakkerde het fanatisme van de reformatorische groepen alleen verder aan. In de Nederlanden werd de opstand tegen de Spaanse landsheer Filips II een zeer fanatieke vervolger van ketters verbonden aan het geloof. Met de overwinning van de opstandelingen werd de protestantse kerk de staatskerk. Doordat het protestantisme een geringere betekenis gaf aan de geestelijkheid als tussenschakel tussen God en gelovigen, was er geen plaats meer voor kloosters. De bezittingen van de oude, roomse kerk werden zeker ook vanwege de geldnood in de strijd tegen de Spaanse landsheer in 1572 door de Staten van Holland onteigend en verkocht of voor andere doeleinden gebruikt.
De ondergang van het Agathaklooster
De woede over sociale en religieuze misstanden mondde in 1566 dus al voor het uitbreken van de Opstand uit in de Beeldenstorm. Vele kerken en kloosters moesten het ontgelden. De aanwezige beelden en schilderingen werden door de hervormingsgezinden als afgodsbeelden gezien. In Delft werden vernielingen aangericht in de Oude en Nieuwe Kerk en het Minderbroederklooster. Het Agathaklooster was afdoende beschermd. Maar toen Delft in 1572 in handen kwam van de opstandelingen, was het einde van het klooster nabij: de Staten van Holland confisqueerden het klooster. Hoewel de zusters mochten blijven wonen in het complex (de laatste overleed er rond 1640), kreeg het gebouw al snel andere functies. Willem van Oranje nam er in november 1572 zijn intrek en de kloosterkapel werd in 1573 in gebruik genomen door de Waalse gemeente. Met het verblijf van Oranje behield het klooster in ieder geval een van zijn oude functies: het bieden van onderdak aan voorname gasten.
Het tragische lot van Cornelis Musius
De overgang van Delft naar het kamp van de opstandelingen bracht benauwde tijden voor de geestelijken. De militaire opstandelingenleider Willem van der Mark, heer van Lumey, was berucht om zijn gewelddadig optreden tegen hen. Bekend zijn tegenwoordig nog de Martelaren van Gorcum. Ook de toenmalige rector van het Agathaklooster, Cornelis Musius, vreesde voor zijn leven. Hij dook onder bij bekenden en verborg kostbare kloostergoederen. De komst van Oranje naar Delft stelde Musius enigszins gerust, maar op 10 december 1572 vertrok hij toch naar het nog katholieke Amsterdam met een vrijgeleide van Oranje. Op de weg naar Den Haag werd hij echter onderschept door ruiters van Lumey. Deze brachten hem naar Leiden waar hij langdurig en wreed werd gemarteld. Een ijlbode van Willem van Oranje kon zijn dood niet meer voorkomen, een openlijke aantasting van diens gezag. Musius werd op bevel van Lumey opgehangen. Het gewelddadige optreden van de geuzenleider betekende een gevaar voor de coalitie die Oranje bijeen trachtte te houden in de strijd tegen Filips II. Enkele maanden na de dood van Musius werd Lumey van zijn taken ontheven. Oranje zou persoonlijk zeer geraakt zijn door de wrede dood van deze laatste rector van het Agathaklooster. Door het verblijf van Oranje (met tussenpozen tot zijn dood in 1584) werd het gebouwencomplex bekend als het Prinsenhof.








