De Bewening van Christus

E-mailadres Afdrukken PDF

PDS 36Het schilderstuk De bewening van Christus behoort tot het oude Delftse kunstbezit. Het is het enige werk, van het grote aantal dat Van Heemskerck voor Delft vervaardigde, dat zich nu nog in Delft bevindt.

Cornelis Musius (1500-1572), de rector van het Sint Agathaklooster in Delft, was niet alleen priester maar ook een verdienstelijk Latijns dichter met een grote belangstelling voor het humanisme en een bewonderaar van Erasmus. Hij liet een groot aantal kunstwerken maken voor de kloosterkerk. Musius onderhield nauwe vriendschapsbanden met de schilder Maerten van Heemskerck. Het is dus niet verwonderlijk dat juist dit klooster deze kunstenaar opdracht gaf tot het vervaardigen van verscheidene altaarstukken.

Een drieluik uit 1551 was zijn eerste werk voor het klooster. De hoofdvoorstelling toont de Aanbidding vande Koningen met de buitenzijde de geschiedenis van Mozes en de Koperen Slang.

PDS 36 - De Bewening van Christus
Mozes en de Koperen Slang

Dit schilderij is door het Frans Halsmuseum in langdurig bruikleen afgestaan aan het Prinsenhof.
In 1559 volgde een opdracht voor een Ecce Homo, een voorstelling van Pilatus, die de gegeselde Christus aan het volk toont. Dit drieluik had hetzelfde formaat als de Aanbidding van deKoningen. Naast de vele opdrachten in Delft voor altaarstukken was Maerten van Heemskerck ook een veelgevraagde portretschilder. Zo schilderde hij in 1538 de Delftenaar Johannes Koelman of Colmannus. Dit was de voorganger van Cornelis Musius als rector van het Sint Agathaklooster.

Georgius Braun, een vermaard reiziger, meldt over het klooster in de 17de eeuw het volgende:

"Wat zal ik van S. Aachten konvent verhaalen? Want 't zy dat men de kostelijkheit van 't gebouw bemerkt; daar dikwils Vorstelijke mannen t'huis gelegen hebben; 't zy dat men den rijkdom der inkomsten en renten overweegt; 't zy eindelijk dat men zijne oogen slaat op de prachtigheit der kerke; ieder in 't byzonder zou ongeloofbaar schijnen. Want door dien dat 'er eene zeer nauwe vriendschap was tusschen den wakkeren Nonne-Pater en zeer roemruchtigen Poëet Cornelius Musius, en den zeer vermaarden Schilder Heemskerke, te Haarlem woonende; zoo wasde gansche kerk van binnen tenemaal bekleedt met zeer schoone en uytgelezene schilderyen."

Naar alle waarschijnlijkheid heeft Musius in 1566 Van Heemskerck ook opdracht gegeven een altaarstuk te schilderen. Met name het randschrift op de lijst van De Bewening zou goed door Musius zelf opgesteld kunnen zijn. Mogelijk heeft dit paneel boven het hoofdaltaar van de kapel van het St. Agathaklooster gehangen; deze kapel is nu in gebruik als Waalse Kerk.
Volgens overlevering is De Bewening tijdens de beeldenstorm in 1566 direct al naar het raadhuis overgebracht. Maar dat zou ook gebeurd kunnen zijn na de dood van Musius met Sint Jansmis 27 december 1572, toen de nonnen van het Sint Agathaklooster de kostbaarheden in veiligheid probeerden te stellen na de confiscatie van het kloostercomplex.

Dirck van Bleijswijck meldt in 1667 in ieder geval dat het stuk een plaats had gekregen in de Burgemeesterskamer in het stadhuis. De schilderyen, boven de tapyten hangende, vertonen nocch eenige zeltzame overblyfzelen van de ornamenten en kostelyke kerksieraden waarmede deze kerken, gelyk wy in der zelver beschryvinge zullen zien, boven andere kerken en steden heerlyk opgepronkt waren. Men vint' er vier van dien heerlyken kunstenaar Maarten van Heemskerk, waer van het heerlykste voor de schoorsteen staet, zynde wel eer een outaar-tafel met twee deuren geweest; de binne-tafel verbeeld een ecce homo, dat is, ziet den mensche, of liever de historie van onzen gezegenden Zaligmaker, alwaar hy gegeesselt en een doorne kroon op het hooft wort gezet, en met een purper kleed omhangen, bespot en ellendig mishandelt zynde, in dien staat aan de opperpriesters en het volk wort ten toon gestelt, Het vierde stuk van Heemskerk, 't welk de kunstenaren op zyn italiaans wel een Pieta, dat is, een godtvruchtigheit noemen, verbeeld Kristus van het kruis afgenomen, en dood leggende, terwyl Joseph van Arimathea, een eerlyk raatsheer, en Nicodemus, welke een mengzel van myrrhe en aloë van omtrent hondert ponden, om het lichaam te zalven medebrachten, het in zuiver fyn lynwaat winden, naar de joodsche wyze, welke voor een gewoonte hadden hunne treffelyke en aanzienlyke luiden aldus te zalven eer die begraven wierden: ook vint men aldaar eenige Galileesche vrouwen, als Maria Magdalena, en Maria de moeder Jose, die uit een heiligen yver quamen toevloejen om deze omstandigheden te aanschouwen. Welke verbeeldinge van de kunstenaren om haare vereischte schikkingeen doorstralendekunst in hoogachting wortgehouden; rondom in de lyst leest men dit latyns opschrift: Corpus perunctum aromate puro sepulchro conditur, odora tantum pectora & munda Christus diligit, dat is, het lighaam gebalsemt met welriekende speceryen, word in een nieuw graf geleit, alzoo bemind Kristus de welriekende en reine herten alleen. De schilder zinspeelt op de verhandeling in Lukas evangeli in het 23 hooftstuk het 53 vers, daar de Heere Jesus van Joseph in een graf geleit wierd daar noch niemant in gelegen had, het welke in een steenrotze was uitgehouwen. Hier nevens hangt noch een hoge en smalle deur van een altaar-tafel, geschildert van den vermaarden Pieter Aartsen"

Bijna drie eeuwen heeft de Bewening in het stadhuis gehangen tot de gemeenteraad in 1860 besloot het werk met enkele andere schilderijen te verkopen, omdat Maerten van Heemskerck geen Delftse kunstenaar was. Het gemeentebestuur kwam bovendien tot de vreemde opvatting, dat de kostbare schilderijen in het raadhuis aanwezig, in de weg stonden. Op 5 maart 1861 is het schilderij op een veiling te Amsterdam verkocht voor slechts 150 gulden. Later in 1904 heeft de gemeente door tussenkomst van jonkheer B.W.F. van Riemsdijk, hij werd later directeur van het Rijksmuseum te Amsterdam, De Bewening van Christus weer teruggekocht voor 1000 gulden. Het paneel kreeg in vervolgens een plaats in het gemeentemuseum en kwam zo in 1906 terug in het, voormalige vrouwenklooster Sint Agatha, het Prinsenhof.

 

Collectie-informatie

Inventarisnummer Museum Het Prinsenhof: PDS 36

Maker: Maarten van Heemskerck (1498 - 1574)

Datering: 1566

Materiaal&techniek: Olieverf op paneel

Afmetingen: 140 x 196 cm (55 1/8 x 77 3/16 in. )

Klik hier voor meer collectie-informatie.

Laatst aangepast op dinsdag 10 augustus 2010 14:13  
Share to Facebook Share to Twitter Share to Linkedin Share to Google 
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies