Twee zilveren indianen

E-mail Print PDF
There are no translations available.

pdz 107 i-ii_b kleinDe collectie Delfts zilver van Stedelijk Museum Het Prinsenhof is in november 2002 verrijkt met twee bijzondere voorwerpen uit het eerste kwart van de 17de eeuw: een paar zilveren indianen.

De objecten zijn voorzien van het meesterteken van één van de belangrijkste Delftse zilversmeden uit deze periode, Adriaen De Grebber. Het werk dat van deze zilversmid bewaard is gebleven, wordt gekenmerkt door een hoog niveau van vakmanschap en een grote originaliteit in vormgeving en versiering. De figuren vormen een zeer interessante en welkome aanvulling op de verzameling.

Naast de tapijtweverijen en de aardewerkindustrie was de zilversmeedkunst de derde kunstnijverheidstak waarin Delft een hoog artistiek niveau bereikte. De 17de-eeuwse zilversmeden vervaardigen veel en goed zilver, dat ten opzichte van hun vakbroeders in andere steden een geheel eigen plaats innam. De hoge kwaliteit en productie van het Delfts zilver hield ongetwijfeld verband met de welvaart van de stad en liep in haar ontwikkeling parallel met de hoogtijdagen van de eerder genoemde kunstambachten en brouwnering.

Stedelijk museum Het Prinsenhof bezit vrijwel alle koperen insculpatieplaten vanaf 1591 waarop het meesterteken van nieuw aangekomen zilversmeden werd geslagen en hun naam werd gegraveerd. Deze zijn afkomstig van het Delftse Sint Eloy smedengilde. Er staan ook namen op van gildenbroeders zonder corresponderend teken. Vermoedelijk gaat het hier om juweliers en mogelijk wapensmeden. Uit de achternamen van de meesters kan worden afgeleid dat er sprake is van veel familiebetrekkingen.

PDZ 107 i-ii - Twee zilveren indianen

Nautilusbekers
Er zijn relatief weinig stukken Delfts zilver bewaard gebleven, maar de deze worden gekenmerkt door hun bijzondere hoge kwaliteit. De nautilusbekers zijn de meest in het oogspringende voorwerpen die in de periode 1590 tot 1640 in Delft gemaakt zijn. De exotische nautilusbekers die als pronkstukken dienden, bestaan uit een nautilusschelp gemonteerd in een zilveren montuur. Ze zijn vaak rijk versierd met religieuze of mythologische voorstellingen. Het vroegst bekende Delftse exemplaar dateert uit 1592 en is van de hand van Nicolaes de Grebber. De schelp zelf is versierd met plantaardige ornamenten, terwijl het verguld zilveren montuur nautische elementen bevat. Toegepast zijn de technieken van het drijven, gieten en graveren.

De maker
Meesterzilversmid Adriaen de Grebber was de derde zoon van de zilversmid Nicolaes de Grebber (werkzaam van 1574-1613). Vader Nicolaes was waarschijnlijk de zoon van de Haagse zilversmid Adriaen Jacobsz. Grebber van Wijck. Nicolaes verliet zijn geboorteplaats en vestigde zich in Delft, waar hij in 1574 toetrad tot het Delftse gilde van zilversmeden. Zijn zoon Adriaen werd meester in Delft in 1608 en overleed in 1658. Nicolaes en Adriaen de Grebber behoorden tot een uitgebreide goudsmeden- en kunstenaarsdynastie, die haar vertakkingen in alle belangrijke steden van het gewest Holland had.

Functie
De aangekochte figuren zijn realistisch en gedetailleerd gemodelleerd en presenteren ieder een cirkelvormig schaaltje met hun uitgestoken armen. Zij dragen een rok en halfhoge laarzen met op hun hoofd een kroon van veren. Hun gezicht vertoont negroïde trekken. Beide zijn gewapend met een pijlenkoker, die aan een draagriem over de rechter schouder van hun ontbloot bovenlijf hangt. Zij staan op een gestileerde schildpad met klauwen, een rechte staart en een kop met opengesperde bek. De voet is gedecoreerd met een rand van krabbetjes afgebiesd met schelpen. De basementen vertonen overeenkomsten met de voet van de voornoemde nautilusbeker, gemaakt door vader Nicolaes.
Adriaen maakte in 1628 zelf ook een indrukwekkende nautilusbeker, die zich eveneens in de collectie van Stedelijk Museum Het Prinsenhof in Delft bevindt.
De West Indische Compagnie (WIC), opgericht in 1621, slaagde in 1630 erin de Portugezen te verdrijven van de suikerplantages in Brazilië, welke hegemonie in 1654 werd heroverd door de Portugezen. Aan het assortiment exotische geïmporteerde goederen zoals koffie, thee en chocola, werd suiker toegevoegd. Aangezien Indianen en tevens slaven worden geassocieerd met Brazilië en Brazilië met suiker, is het mogelijk dat de figuren werden gebruikt om suiker te presenteren in plaats van zout.

In eerste instantie werkten voornamelijk Indianen op de plantages. Omdat de inheemse bevolking sterk afnam, waren de planters gedwongen slaven te importeren uit Afrika. Sleutelfiguur in de slavenhandel was Johan Maurits van Nassau-Siegen, die in 1636 naar Brazilië werd gestuurd. In 1644 keerde hij terug naar Den Haag, een invloedrijk man met ondermeer een uitgebreide collectie exotische objecten. Afbeeldingen van moren, Indianen, exotische planten en Braziliaanse landschappen vormden een inspiratiebron voor veel Europese kunstenaars die naar eigen inzicht elementen samenvoegden. De twee zilveren figuren van De Grebber die een combinatie tonen van Afrikanen/slaven en Zuid Amerikaanse kledij, zijn dan ook vanuit een historisch oogpunt bijzonder interessant. Temeer daar de WIC in 1623 een kamer opende in Delft, hetzelfde jaar waarin deze figuren werden vervaardigd.

Inventarissen en herkomst
Uit de literatuur en uit archieven komt naar voren dat Adriaen de Grebber meer zogenaamde moren heeft gemaakt. Zo beschrijft Thera Wijsenbeek-Olthuis in haar dissertatie Achter de Gevels van Delft de indrukwekkende privé bezittingen van drie eigenaren van Delftse aardewerkfabrieken De Pauw, De Drie Klokken en Het Hart in de periode 1706-1730.(2)
Hieruit blijkt dat de vrouwelijke eigenaar van De Pauw, weduwe van David Gerritsz. Kam, een imposante lijst met zilveren objecten in bezit had, waaronder twee zilveren moren. Hoewel een specifieke omschrijving ontbreekt, waardoor niet duidelijk wordt of het hier gaat om voorwerpen die gemaakt zijn door De Grebber, heeft Thera Wijsenbeek achterhaald dat er in andere Delftse inventarissen tussen 1732 en 1762 dertien zilveren figuren genoemd worden. Elf van die figuren stonden vermeld in de veilingcatalogus van Salomon van Groenenwegen in 1757. Zes van deze figuren stammen uit de zeventiende eeuw en zijn gecatalogiseerd als een soldaat, een vrouw, een boer en boerin en een man en vrouw druivenoogstend, alle van de hand van Adriaen De Grebber. In de collectie van Joseph R. Ritman, geveild bij Sotheby's Genève 16 mei 1995 bevonden zich soortgelijke paren, lotnummers 4, 26,74.

Echtheidsonderzoek
Na de veiling, 4 november 2002, werd getwijfeld aan de authenticiteit van de figuren die vervaardigd zijn door Adriaen de Grebber in 1623 (meesterteken en jaarletter). Op verzoek van het bestuur van de Vereniging Rembrandt zijn stappen ondernomen ten einde de echtheid van de figuren te determineren.Op 5 augustus 2003 zijn de twee figuren van het museum, samen met twee figuren van een handelaar én vier figuren van een particuliere verzamelaar naar de Goldsmiths Hall te Londen gebracht om de samenstelling van het zilver te laten analyseren. Alle figuren zijn voorzien van het meesterteken van Adriaen de Grebber en komen uit min of meer dezelfde periode.

Voordat de eigenlijke analyse plaatsvond, is met behulp van bijzonder sterke röntgenstraling bekeken in hoeverre de figuren zijn verguld. Bij de analyse van de samenstelling van het zilver wordt de uitslag anders beïnvloed door een te hoog percentage goud. Bij deze test bleek één paar figuren van de particuliere verzamelaar verguld te zijn. Na overleg met hem, is besloten een monster te nemen van de onderkant van één van de voeten waar het verguldsel vanaf werd geschraapt.

Hierna is van elk figuur een aantal monsters genomen (10 mg. schraapsel per plek); te weten drie van de suikervaten (basis, binnenkant arm en kom) en twee van de andere figuren. Er zijn meerdere monsters genomen omdat in de loop van de tijd uitstekende of losse delen mogelijk vervangen zijn. In dat geval vertoont de samenstelling van het zilver andere waarden. Vervolgens zijn de monsters opgelost in salpeterzuur en is de aanwezigheid van de volgende metalen gemeten: goud, bismut, lood, koper, tin, platina, cadmium, antimonium en palladium. Na invoering van de percentages in de computer wordt direct zichtbaar hoeveel hits er zijn met de collectie engels zilver van de Goldsmiths Hall en in welke periode deze zijn ingedeeld. Van ieder van de figuren is dan een rapport beschikbaar met de samenstelling van het zilver en de periode van vervaardiging. Uit de rapporten blijkt dat de mannelijke figuur van het vergulde paar van de particuliere verzamelaar in de periode 1830-1900 gemaakt is. Alle ander figuren zijn op basis van de gemeten waarden old silver, te dateren tussen 1600 en 1650. Hierbij dient in acht te worden genomen dat de interpretatie heeft plaatsgevonden op basis van de resultaten van zuiver (genuine) engels zilver. Na nauwkeurige bestudering van de resultaten kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de mogelijkheid dat de figuren in de negentiende eeuw zijn vervaardigd van omgesmolten oud zilver worden uitgesloten.(3)

 

Collectie-informatie

Inventarisnummer Museum Het Prinsenhof: PDZ 107 I+II

Maker: Adriaen de Grebber (werkzaam van 1608, overleden 1658)

Datering: 1623

Materiaal&techniek: Zilver, Delftse zilversmeedkunst

Afmetingen: hoogte: 20,5 cm (8 1/16 in.) 814 gram

Klik hier voor meer collectie-informatie.

 

Noten
(1) cat., De Stad Delft, cultuur en maatschappij van 1572 tot 1667, tekstboek, Delft, 1981, p. 95, 230; Cat., Schatten in Delft, Delft 2002
(2) Thera F. Wijsenbeek-Olthuis, Achter de gevels van Delft, bezit en bestaan van rijk en arm in een periode van achteruitgang (1700-1800), Den Haag, 1987, pp. 217, 218, 220, 221, 387
(3) Voortgangsrapportage echtheidsonderzoek suikervaten door Marjoleine Groen, conservator kunstnijverheid van de Gemeente Musea Delft, augustus 2003

Last Updated on Thursday, 30 September 2010 08:12  

Rondkijken in Het Prinsenhof

There are no translations available.

prinsenhof_schilderijen

Klik op de afbeelding voor enkele panoramafoto's (360 graden)