Delfts aardewerk

E-mail Afdrukken PDF

Oosters porselein
Met de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1602 begon de geregelde aanvoer van Chinees exportporselein naar de Nederlanden. De Europese keramiekproductie bestond indertijd uit rood aardewerk, steengoed en majolica. De meeste Europeanen aten nog van houten of tinnen borden. Het Chinese porselein maakte dan ook grote indruk. Het was veel fijner en sierlijker dan de bekende keramieksoorten. Het porselein had een dunne scherf, een wit oppervlak met exotische beschildering en een fraaie glans. In de middeleeuwen was oosters porselein vooral aanwezig in de Europese vorstenhoven, en ook de aanvoer in het begin van de zeventiende eeuw was bestemd voor de rijkere Europeanen. De minder gefortuneerden konden zich een dergelijke luxe niet veroorloven. Op meerdere plaatsen probeerden majolicabakkers een (goedkoper) product te maken dat leek op het porselein. Dit bleek een gat in de markt. Echt porselein kon men in Europa pas maken na de ontdekking in 1718 van de noodzakelijke grondstof: porseleinaarde (of kaolien). In Delft maakte men lange tijd de beste imitaties van het porselein, zodat men zelfs sprak van Delffs porceleijn. Echt porselein heeft men in Delft nooit gemaakt.

Majolica
Het Delfts aardewerk komt voort uit een ander type aardewerk: het majolica. Majolica had een (meestal) wit, dekkend oppervlak waarin een decoratie was aangebracht met de kleuren blauw, geel, groen, mangaan en oranjerood. Deze kleuren worden vaak aangeduid als majolicakleuren. De achterkant was slechts bedekt met doorzichtig loodglazuur, waardoor men de rode of gele scherf kon zien. Kenmerken zijn de tamelijk dikke scherf en de beschadigingen aan de voorzijde van borden en schotels. Deze beschadigingen (proenafdruk) werden veroorzaakt door de driehoekige steuntjes (proenen) waarmee zij in de oven op elkaar werden gestapeld. De productie van de majolicabakkers bestond hoofdzakelijk uit platgoed als borden. majolica werd vroeger aangeduid als gleijersgoed, Middelnederlands voor verglaasd aardewerk. Het majolica vond zijn oorsprong in Zuid-Europa, maar in de zestiende eeuw hadden vele Zuid-Europese majolicabakkers zich in de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België) gevestigd. Met de val van Antwerpen in 1585 (de Spaanse troepen heroverden de stad op de Nederlandse opstandelingen), trokken velen naar de Noordelijke Nederlanden. Maar al in 1581 vestigde de eerste majolicabakker zich in Delft: in dat jaar schreef Harmen Pieterszoon Valckenhoff zich in als betielbacker in het Delftse Lucasgilde.

Faience
In meerdere steden in Holland slaagden majolicabakker erin hun product te verbeteren en het meer op het begeerde porselein te laten lijken. Al vanaf 1610 werd door hen een nieuw soort product gemaakt: de faience. Door de toevoeging van mergel aan het kleimengsel konden zij voorwerpen maken met een dunnere scherf. De beschadigingen aan de voorzijde van borden en schotels werd voorkomen door deze in zogenaamde kokers op pennen te plaatsen. Dit waren ronde cassettes waardoor in verschillende lagen pennen waren gestoken waarop borden of schotels met de onderkant (of de standring) rustten. Een belangrijke uiterlijke verandering was het gebruik van wit tinglazuur op het gehele voorwerp. Het tinglazuur werd aangebracht na het eerste bakproces in de oven. De decoratie kon in het natte tinglazuur worden aangebracht waarna het tweede bakproces volgde. Soms werd voor de tweede bakgang ook nog een laag loodglazuur over het voorwerp gesprenkeld om de glans te verhogen. Deze nieuwe aardewerksoort wordt aangeduid als faience, een internationaal gangbare term.

Delfts porceleijn
Hoewel faience in meerdere steden in Holland werd geproduceerd, zou vooral Delft hiermee zeer succesvol zijn. Zozeer zelfs, dat faience (zeker het blauw-witte goed) ook nu nog door het grote publiek simpelweg Delfts aardewerk of Delfts Blauw wordt genoemd. Dit is eigenlijk niet juist, maar vervult ons wel met gepaste trots. De Delftse faience steeg dan ook zowel in kwaliteit als in kwantiteit ver boven de Hollandse concurrentie uit. In het begin werden oosterse decoraties op de Delftse faience geschilderd, maar later kwamen ook Hollandse of gemengde (de zogenaamde chinoiserieën) decoraties voor. Wat Delft onderscheidde van andere steden waar faience werd gemaakt, was de fijnheid van het aardewerk en de kwaliteit van de beschildering. De beste stukken waren ten minste zo mooi als het echte porselein. Uit bewondering sprak men dan ook van Delffs porceleijn. Waar wij in het vervolg van Delfts aardewerk spreken, bedoelen wij Delftse faience.

Delftse plateelnijverheid
De bakkerijen waar het Delfts aardewerk werd gemaakt, werden plateelbakkerijen genoemd. Plateel (ook wel platiel) is het Middelnederlandse woord voor platte schotel; de productie bestond dan ook voornamelijk uit platgoed als borden en schotels. Het aantal bakkerijen in Delft groeide gestaag, van twee in 1600 tot veertien in 1650 en drieëndertig in 1700. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werkten vele bakkerijen met twee ovens, een zelfs met drie. In Delft werden dan ook enorme hoeveelheden faience gemaakt. Er was een grote markt voor deze succesvolle imitaties van het fraaie porselein, zowel binnen als buiten de Nederlanden. Het grootste deel van de productie bestond echter uit eenvoudig gebruiksgoed, ook betaalbaar voor de kleine beurs. Vanaf het einde van de zeventiende eeuw ging het slechter met deze Delftse nijverheid. De export stagneerde door hoge invoertarieven van de landen die zelf aardewerk gingen produceren, maar ook op de thuismarkt zat het economische tij tegen. In 1700 klaagden de Delftse plateelbakkers dat de helft van de bakkerijen de vraag wel aankonden. In de achttiende eeuw verdwenen de plateelbakkerijen een voor een. Behalve het oosterse en Europese porselein werd vooral het Engelse aardewerk (bijvoorbeeld van Wedgwood) een geduchte concurrent. Vanaf 1858 bestaat alleen de Porceleyne Fles nog. Deze bakkerij produceert tot aan de dag van vandaag.

Het assortiment
Het assortiment van de Delftse plateelnijverheid bestond uit een grote verscheidenheid van producten; liever: Het assortiment van de Delftse plateelnijverheid was groot en divers: van alledaags gebruiksgoed tot echte pronkstukken. Op basis van taxatieprijzen, vermeld in boedelinventarissen, en van prijslijsten van de plateelbakkers zelf, kan een globale indeling worden gemaakt: het alledaags gebruiksgoed dat ongedecoreerd of met een simpele decoratie werd afgeleverd, het sierlijk gebruiksgoed en het siergoed. Het sierlijke gebruiksgoed en het siergoed kon worden geleverd met een fijne en een minder fijne beschildering. Het verschil zag de klant natuurlijk terug in de prijs. Vaak werden er ook verschillende modellen en uitvoeringen op de markt gebracht: wel of niet geribd, met en zonder oor of deksel. Ook kon men kiezen uit verschillende maten. Een Amsterdamse winkelinventaris uit 1704 toont aan dat het alledaagse gebruiksgoed meer dan de helft van het aanbod uitmaakte. Het echte siergoed, zoals bloemenvazen en kaststellen, maakte minder dan eenvijfde van de winkelvoorraad Delfts aardewerk uit.

De merken
Onder het Delfts aardewerk kan men verschillende merken tegenkomen: van een voluit geschreven naam tot aan initialen en figuren. Uit onderzoek blijkt dat deze merken werden gebruikt als fabrieksmerken. Zij verwijzen doorgaans naar de eigenaar van een plateelbakkerij of direct naar de naam van de bakkerij. De merken werden gebruikt voor buitenlandse handel: het merk garandeerde de herkomst van een partij aardewerk. Handelaren in het buitenland bestelden vaak partijen op basis van het merk. Het werkte dus min of meer als het moderne handelsmerk. De merken op Delfts aardewerk werden vanaf het einde van de zeventiende eeuw steeds vaker gebruikt. Dat hing samen met het belangrijker worden van de export in de tweede helft van die eeuw, en met de grotere onderlinge concurrentie door de economische tegenspoed. In 1764 werden de merken van de nog bestaande bakkerijen vastgelegd door het stadsbestuur om misbruik tegen te gaan. Voor 1764 zijn de merken niet vastgelegd. Het is daarom moeilijk om de vroegere merken aan de juiste plateelbakkerijen toe te schrijven. Op basis van gedegen onderzoek lukt dit vaak toch en dan helpen de merken, samen met de bestudering van prijslijsten en voorraadlijsten (in boedelinventarissen), om vast te stellen wat een bepaalde plateelbakkerij produceerde. Behalve merken komen ook dateringen voor, vaak in de vorm van een jaartal, soms als volledige datum. Als het jaartal op de onder- of achterzijde staat, verwijst het doorgaans naar het jaar van productie. Bij huwelijksgoed en herinneringsgoed maakt de datering vaak deel uit van de decoratie: dan verwijst de datering naar de gebeurtenis.

Voor verdere informatie over dit onderwerp zie:

- WikiDelft, bijvoorbeeld De Porceleyne Fles

- www.delftsaardewerk.nl
- M.S. van Aken-Fehmers, L.A. Schledorn, A.-G. Hesselink, T.M. Eliëns, Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product, Deel I , Zwolle/Den Haag 1999

- M.S. van Aken-Fehmers, L.A. Schledorn, Delfts aardewerk, geschiedenis van een nationaal product, Deel II , Zwolle/Den Haag 2001

Laatst geupdate op maandag 11 april 2011 22:06  

Rondkijken in Het Prinsenhof

prinsenhof_schilderijen

Klik op de afbeelding voor enkele panoramafoto's (360 graden)